MudSweatTrails - Het platform van en voor trailrunners in de Benelux

Het platform voor Nederlandstalige trailrunners met actueel nieuws, know-how, reviews, trail events en de meest complete trailkalender

MudSweatTrails op InstagramVolg MudSweatTrails via TwitterMudSweatTrails op FaceBooke-mail MudSweatTrailsdoorzoek mudsweattrails.nl

Dutch Runners - partner van MudSweatTrails

In the Spotlight


PETZL Reactik Plus

 

 

Sponsors

 

Trail des Dents du Midi – 57km, 3700mD+

Door: Jacolien Schreuder

Er is bouillon en thee, bij de eerste post, maar ik vraag of ze misschien ook koffie hebben. Een andere loper vindt me kennelijk te veeleisend, en begint over warme chocomel. Weet hij veel. Ik heb gewoon wat hoofdpijn door cafeïnetekort. Cola helpt een beetje, maar niet genoeg. Straks maar een koffiegel, nu kan mijn maag de gedachte aan die mierzoete troep nog niet verdragen.

Bij de tent vanmorgen was het te koud, te vroeg, te veel gedoe, om koffie te maken. Thee leek verstandiger, makkelijker ook. Ik vind het al heel wat dat ik keurig netjes ontbeten heb. Het valt niet mee om om kwart voor vier uit het behaaglijke dons van m'n winterslaapzak te kruipen. Het lijkt logischer om het dikke thermoshirt aan te trekken, dat in m'n looprugzak zit voor in geval van nood, dan het dunne 'stay cool' hemdje dat klaarligt. Toch pas ik m'n kledingplan niet aan. Liever een beetje koud bij de start, dan na een paar kilometer al lopen puffen en moeten stoppen om iets uit te trekken. Over het dunne hemdje gaat een ook al dun t-shirt, en mijn armen bedek ik met de losse armstukken. Alleen even voor het begin hè, die gaan natuurlijk al snel naar beneden. Is het idee.

De foto is van donderdagavond, we hebben onze tenten net opgezet. Ook toen moesten de lange onderbroeken al aan, al zie je dat niet direct aan de foto.

We moeten de voorruit krabben. Ik vind dat wel wat hebben. Over cool gesproken. Jos is iets minder kampeerderig dan ik, en is misschien wat minder enthousiast over het ongemak dat de combinatie kamperen en kou met zich meebrengt. Gelukkig heeft ook hij wél een goede slaapzak, zodat de nachten prima te doen zijn. Ook het verwarmde toiletgebouw werkt mee. We zijn uit voorzichtigheid veel te vroeg in het dorp (Champéry, aan de Zwitserse kant van Portes du Soleil). Startnummeruitgifte, materiaalcontrole – het kost bij nader inzien allemaal niet zo veel tijd. Ik had makkelijk een half uur langer in die lekkere slaapzak kunnen blijven liggen. Of koffie kunnen zetten. Het ongemak van bijna een uur kleumend drentelen in de buurt van een startvak, vind ik persoonlijk dan weer wat minder charmant. Of cool. Ik heb m'n regenjas aangetrokken, om nog een béétje warm te blijven. Voor de start stop ik die wel weer weg. In de zakken vind ik een paar oude fleecewanten die ik al een poosje kwijt was. Loop ik daar ook nog voor niks mee te sjouwen, want in mijn rugzak zitten natuurlijk ook al handschoenen. Alsof die rugzak niet al vol genoeg zit.

Na de eerste paar, net niet helemaal vlakke, kilometers, mogen we door een bos omhoog. "Regular, but rather steep," zegt het roadbook. Dat steile valt wel mee. Ik kan Jos niet bijhouden, maar houd hem wel in het zicht, min of meer. Hoger gekomen is het gras berijpt, en het pad zo hier en daar ook bevroren, en dus glad. Attention! Ik bedenk dat dit fijn is: dat je wel voelt dat het wel koud is, maar dat je het zelf niet koud hebt. Maar het is op het randje, moet ik bekennen. Een iets warmere kledingkeuze was op z'n plaats geweest. Het is prachtig helder weer, maar de zon komt nog niet boven de bergen uit. Bij de post dus geen koffie, wel even de steentjes uit m'n schoenen schudden. En samen weer op pad. Nog een klein stukje omhoog, dan mogen we lang afdalen. Eindelijk lopen we in de zon – heel even, dan duiken we de schaduw weer in. Jos verdwijnt achter een paar grote rotsblokken voor een sanitaire stop. Ik loop verder. Moet ook, maar heb daar een eigen plek voor nodig. En misschien gaat het wel over. Maar nee. Als we weer in het bos lopen, zoek en vind ik een goed plekje, en zie vanaf daar na een paar minuten Jos passeren. Ik ga erachteraan. Vind dat ik best snel afdaal, maar de meeste anderen – onder wie Jos – dalen nog wat sneller. Ik heb het nu warm. De armstukken zijn naar beneden en hangen op mijn polsen, de lange broek voelt onaangenaam. Bij de volgende post verkleden?

In Vérossaz (25km) duurt het even voor ik Jos gevonden heb. Hij staat wat opzij zijn korte broek aan te trekken. Mooi, doe ik dat ook. Tot nu toe gaat het goed. Tijdens de afdaling moet ik even denken aan de Echappée Belle vorig jaar – no way dat je daar zo'n tijd achter elkaar gewoon kon hardlopen. Ik niet althans. Niet te vergelijken. Ik dwing mezelf een koffiegel te nemen. De koffiesmaak is lekker, de cafeïne verdrijft inderdaad de lichte hoofdpijn, maar verder? Zoete drab. Het is sowieso weer zo'n dag waarop ik met bijna al het eten dat ik heb meegenomen arriveer bij de finish. Het verse brood met kaas (wat hebben ze daar in Wallis lekkere kaas!) bij de posten smaakt me veel beter dan al die zoetigheid.

Weer gaan Jos en ik samen op pad. Nog een stuk of acht eenvoudige kilometers, daarna krijgen we een lange, en naar het schijnt steile, klim voor onze kiezen. Een poosje ben ik blij met mijn blotebenenactie. Veel lekkerder dan die lange broek. Al vrij snel heb ik echter door dat het misschien wel lekker is, maar nou ook weer niet per se nodig was. Eigenlijk is het nog steeds behoorlijk fris. In het mooie oude dorpje Mex is gelukkig een waterpunt, want ik heb vergeten bij te vullen in Vérossaz. Ik maak een flesje sportdrank aan en moet een beetje doorlopen om Jos weer bij te halen. Stukje stijgend asfalt, net te steil om hard te lopen. Stiekem vind ik dit misschien nog wel het lekkerst. Waarom ga ik niet gewoon de vierdaagse lopen of zo? We verlaten het asfalt, nog een klein stukje dalen, en dan mogen we een paar uur aan de bak om op de Col du Jorat te komen. Gestaag stijgend gaat het omhoog. Hier komen ons de eerste wedstrijdlopers, die 3 uur later zijn gestart dan wij, voorbij. Het verschil in snelheid is groot. Toch kan ook ik hier wat mensen inhalen – niet doordat ik zo snel ben, maar doordat ik dat gestage omhooglopen wel redelijk lang kan volhouden. De losse mouwen zijn allang weer omhooggeschoven, en ik heb inmiddels ronduit spijt van mijn broekwissel. Het eerste wat ik doe als ik bij de post van Salanfe ben (een paar honderd meter onder de col, bij een groot stuwmeer), is die lange broek weer aantrekken. Een mooie gelegenheid om ook weer even de rotsteentjes uit mijn schoenen te schudden. Jammer genoeg trek ik hier ook mijn rugzak kapot, en vergeet ik nota bene wéér om water bij te vullen. Of denk ik dat het niet nodig is? Ik merk na vertrek al snel dat mijn waterzak leeg is. Ik heb nog een half flesje sportdrank.


En deze foto is van vrijdagmorgen. Het uitzicht vanaf de camping. De start op zaterdagmorgen is om 6 uur – in het donker dus.

Gelukkig is de volgende en laatste klim een eitje. Toch? Eerst kost het stuk langs het meer me al veel moeite. Mijn benen lijken te willen onderstrepen wat ik al zo vaak bedacht heb: eigenlijk kan ik dat helemaal niet, hardlopen. Ze willen niet meer, hebben zo hun best gedaan om me boven op die col te brengen, maar nu zijn ze er een beetje klaar mee. Ik ben blij als we weer omhoog mogen, zodat ik over kan gaan op wandelen. Die blijdschap is van korte duur – ik ben, geloof ik, een beetje moe. Jos ook. Gedeelde smart. Die lange broek was een goed idee, maar er staat hier zo'n venijnig koude wind dat we stoppen om onze regenjassen aan te trekken. Jos is zo verstandig om ook een gel te nemen, maar ik zie dat niet zitten – ook al niet omdat ik geen water meer heb om hem mee weg te spoelen. Ik heb nog een halve cliffbar – die eet ik later wel op. Ik loop weer een beetje bij Jos weg; wil hier niet stilstaan, of inhouden. Moet alle zeilen bijzetten om niet te veel af te koelen. Het sneeuwt licht. Nadat ik mijn regenjas aangetrokken heb, merk ik al vrij snel dat ik ook mijn handschoenen had moeten pakken. Maar verdorie, die zitten helemaal onder in mijn rugzak, keurig in een waterdichte zak, bij dat warme thermoshirt. Daar heb ik nou echt geen zin in, om die te pakken. Dan bedenk ik dat ik die oude fleecewanten vanmorgen in mijn zakken vond. Mazzel! Ik moet een beetje wurmen om mijn handen door de polslussen te krijgen met die dingen aan, en ze zijn wat onhandig bij het een stukje opentrekken (in de luwte) en weer helemaal dichttrekken (vol in de wind) van de rits van mijn jas, maar ik houd lekker warme handen.

Oké, het lopen gaat dan misschien niet helemaal meer van harte, maar dit is wel het leukste deel van de route. Eindelijk niet meer het uitzicht over zo'n breed dal, maar gewoon omgeven door de bergen. Als ik zou kunnen kiezen, zou ik altijd voor mooi, helder en droog weer kiezen, maar nu de omstandigheden iets minder aangenaam zijn, vind ik juist dát weer leuk. Echter, of zo. Stoerder. Net als dat kamperen met kou. De Susanfe-pas is het hoogste punt van de tocht, op ± 2500 meter. Er is geen uitzicht om van te genieten, en behaaglijk is het ook niet bepaald, dus ik loop snel door. In de afdaling begin ik pas echt te merken dat ik door mijn energie heen ben. Ik glijd een keer uit in de modder, ik begin wat te struikelen en te zwikken. Een veeg teken. Regelmatig moet ik even aan de kant om een wedstrijdloper voorbij te laten gaan. De vele (erg vele) wandelaars die omhoog komen, doen op hun beurt juist weer een stap voor mij opzij. Iedereen moedigt ons, hardlopers (nou ja...) aan. De Pas d'Encel is afgezekerd met een ketting en vergt wat klauterwerk. De ketting laat ik links hangen – ik heb liever gewoon rots onder m'n handen. Als het droog zou zijn, zou ik hier iets meer van genieten dan ik doe van deze nattigheid. De snelle jongens (v/m) springen hier met benijdenswaardig gemak naar beneden, maar ik ben allang blij dat ik geen angst voel in dergelijke passages.

Bij de laatste post komt Jos aanlopen als ik net zo'n beetje weer weg wil gaan. Hij snaait heel snel wat en opnieuw vertrekken we samen. Dit afdalen kan Jos sneller dan ik (hardlopen, hè), maar hij wil bij mij blijven om samen te finishen. Dat is fijn. Mijn bovenbenen zijn pijnlijk genoeg om weinig tempo meer te kunnen maken, al is het parcours nu niet lastig meer. We komen uit vlakbij de camping, en voorbij de stoeltjeslift gaat het pad een stukje omhoog. Hè hè, gelukkig weer even wandelen. De laatste kilometer gaat door het dorp, en die moet natuurlijk wél hardlopend worden afgelegd. Al is het alleen al vanwege alle mensen die ons aanmoedigen. Het is een en al drukte en gezelligheid in Champéry. Jos en ik gaan gezamenlijk de finish over na 11 uur en 21 minuten.

Ik heb het warm in mijn regenjas.

Berichttype: 

Sponsors

site: IanusWeb